sterrenkunde: het begin

Het begrip astronomie, ofwel sterrenkunde, stamt af van een formulering in Oudgrieks die zoiets betekent als “de natuurwetenschappelijke wetten waar de sterren aan voldoen”. Sterrenkunde omvat echter niet alleen de studie van de sterren, maar van alle hemelverschijnselen. Het combineert alle andere aardwetenschappen en past die toe op het onderzoek van al het materiaal dat zich niet op onze planeet bevindt, maar daarbuiten. Dat maakt sterrenkunde tot de natuurwetenschap met het wijdste bereik.

Kort gezegd is sterrenkunde de wetenschap die alles probeert te begrijpen wat zich buiten de grenzen van de aarde afspeelt. Het is tevens een van de oudste natuurwetenschappen. Elke beschaving, van de oudheid tot het recente verleden, had elke nacht een adembenemend uitzicht op de sterren. Wie naar de kosmos keek, ondervond nog geen hinder van lichtvervuiling en leefde nog niet grotendeels binnenshuis; feiten die ertoe leiden dat een groot deel van de hemel voor de tegenwoordige waarnemers verborgen blijft. In de hele wereld was enig begrip van het uitspansel een wezenlijk onderdeel van de beschaving.

De Babyloniërs, een volk uit het oude Mesopotamië dat gedijde tussen de rivieren de Tigris en de Eufraat, een gebied dat tegenwoordig binnen de grenzen van Irak valt, waren een van de eerste culturen die een natuurwetenschappelijke visie op de sterren en planeten had. Oudere beschavingen koppelden de hemellichamen gewoonlijk aan geesten, maar oude gegevens tonen aan dat de Babyloniërs al 3000 jaar v.C. een aantal sterrenbeelden vastlegden en sterrenkundige verschijnselen in kaart brachten. Een van de oudste overgebleven sterrenkundige documenten is een kleitablet over Venus, die werd ontdekt in de ruïnes van een Babylonische bibliotheek in Niniveh. Deze tablet uit 1700 v.C. bevat notities van de tijden waarop Venus ’s ochtends en ’s avonds aan de hemel verscheen en verdween. Ook zijn details over de bewegingen van Mercurius gevonden, bijvoorbeeld wanneer de planeet te zien was en wanneer deze zich voor of achter de zon bevond.




De Babilonische beschaving

Oude Chinese beschavingen besteedden veel aandacht aan de nachtelijke hemel, want de harmonie tussen mens en natuur was een belangrijk deel van de Chinese filosofie. Chinese sterrenkundigen konden precies de cyclus van de zonsverduisteringen berekenen en waarschijnlijk was dit de eerste beschaving die vaststelde dat een jaar 365 dagen bevatte. Dat deden de Chinezen door de beweging van de zon ten opzichte van de sterren op de achtergrond uit te rekenen. Die wetenschappelijke reputatie bracht ook risico’s met zich mee, want het schijnt dat de Chinese keizer sterrenkundigen die een onjuiste voorspelling deden ter dood veroordeelde. Volgens de Chinese mythologie trad er een zonsverduistering op als een draak de zon opat en was er maar één manier om de draak te verslaan: zoveel mogelijk lawaai maken. Daarom maakten de mensen tijdens een zonsverduistering enorm veel herrie, waardoor de draak op de vlucht sloeg. Pas dan kwam de zon terug.
Bij de oude Grieken maakte het wetenschappelijk onderzoek van de sterrenkunde grote vorderingen doordat de nadruk lag op waarnemen en verzamelen van gegevens. In 240 v.C. berekende Eratosthenes, een Griekse wiskundige, met succes de omtrek van de aarde en Anaximander was de eerste die met het idee kwam dat de aarde los door de ruimte zweefde en niet als een bal aan een ketting hing. Een andere Griek, Hipparchos, vond het astrolabium uit, een instrument dat onder meer de positie van de sterren en de zon kon bepalen. Pythagoras was de eerste die er zeker van was dat de aarde een bol was en geen cilinder, wat men tot dan toe dacht. Griekse wetenschappers kwamen ook met het geocentrische wereldbeeld: het idee dat de aarde zich in het centrum van het heelal bevindt.
Hoewel deze theorie niet bleek te kloppen, werd er in Europa en het Midden-Oosten vele eeuwen aan vastgehouden.
In Midden-Amerika kwamen de Maya’s tot soortgelijke conclusies als hun Europese tegenhangers, ondanks dat er voor zover bekend geen uitwisseling van informatie plaatsvond. Zonder ooit gehoord te hebben van de Romeinse beschaving ontwikkelden ze een zonnekalender die geavanceerder was dan de juliaanse kalender van de Romeinen, die het schrikkeljaar bedachten omdat de baan om de zon niet precies 365 dagen duurt. De zon, de maan en Venus hadden voor de Maya’s godsdienstige betekenissen. De Maya’s plaatsten hun piramiden, religieuze beelden en tempels zodanig dat er een verband was met de punten waarop deze drie hemellichamen in verschillende tijden van het jaar aan de hemel verschenen en verdwenen. De godsdienstige nadruk die de Maya’s op de planeet Venus legden, betekende dat ze hun tijd vooruit waren wat betreft hun kennis van de naaste buur van de aarde.
Ze wisten dat de ochtend- en avondverschijning van Venus niet twee aparte dingen waren, zoals de Grieken dachten, maar in feite één. Er bestaan documenten waarin te zien is dat de Maya’s de bewegingen van Venus meerdere jaren vooruit hadden berekend en zelfs de synodische periode van Venus – de tijd tussen opeenvolgende samenstanden van de planeet – wisten te achterhalen.
Archeologen die zich specialiseren in het onderzoek van sterrenkundige ruïnes, worden archeo-astronomen genoemd. Ze ontdekten dat veel oude monumenten zijn uitgelijnd met wat er aan de hemel gebeurt. In de neolithische structuur van Stonehenge, in het Engelse Wiltshire, staan stenen pilaren zo geplaatst dat ze de posities van de zon en de maan tijdens de zonnewende volgen. Sommige archeo-astronomen denken zelfs dat Stonehenge een oude sterrenwacht is. Anderen redeneren dat het van Stonehenge helemaal niet de bedoeling was dat het werd uitgelijnd met hemellichamen. De meeste oude megalieten werden geplaatst volgens de posities van hemellichamen. Jongere beschavingen, zoals die van de Maya’s en de Egyptenaren, hielden ook bij de situering van hun civiele bouwwerken rekening met de stand van de hemellichamen. De Grote Piramiden van Gizeh lijken overeen te komen met de gordel in Orion, zodat ze de dode farao de weg konden wijzen naar de sterren van de god van de dood, Osiris.
De astrologie komt voort uit de overtuiging dat de posities en bewegingen van hemellichamen rechtstreeks ons leven op aarde beïnvloeden en dat die invloed kan worden voorspeld door de tekenen aan de hemel te lezen. Het komt erop neer dat de ruimte wordt gebruikt om waarzeggingen te doen. Het gebruik van astrologie dateert uit de tijd van de oude Babyloniërs die geloofden dat de bewegingen van de vijf bekende planeten de wil van vijf van hun goden weerspiegelden. De astrologie is al die tijd blijven bestaan. Verschillende beschavingen hadden hun eigen vormen ervan, maar in grote lijnen volgden ze allemaal de bewegingen van hemellichamen tegen de achtergrond van de sterren, die stil leken te staan. Net als de Babyloniërs geloofden veel godsdienstige samenlevingen dat bewegingen aan de hemel de wil van hun goden weergaven. De Chinezen en de Maya’s kwamen, onafhankelijk van de Babyloniërs, met hun eigen astrologische uitleg van de ruimte. Maar het was via de Babyloniërs dat de astrologie in het oude Griekenland en Rome terechtkwam en dat beïnvloedde weer het gebruik van de astrologie in christelijke en Arabische culturen tijdens de middeleeuwen. In het westen van Europa vormde de astrologie in de middeleeuwen, toen de wetenschappelijke studie van de sterren op een laag pitje stond, een belangrijke methode voor het interpreteren van het heelal. Astrologen hadden invloed aan de Europese vorstenhoven en astrologie werd een onlosmakelijk deel van de geneeskunde. De Zwarte Dood, de pestepidemie die Europa in de veertiende eeuw trof, werd vaak geweten aan een ongelukkige samenstand van de planeten. Meer recent hebben nieuwe technologieën een wetenschappelijke verklaring voor de bewegingen van deze hemellichamen weten te geven. Toch geven veel mensen er tegenwoordig nog steeds de voorkeur aan om deze bewegingen via de astrologie uit te leggen en horoscopen zijn dan ook in veel tijdschriften en kranten te vinden.

Tijdens de middeleeuwen kwam in Europa de wetenschappelijke ontwikkeling van de sterrenkunde stil te staan. De meeste geleerden en burgers waren heel tevreden met de oude Griekse sterrenkunde, vooral ook omdat de kerk er volkomen achter stond. Dat had tot gevolg dat het als ketterij werd beschouwd om te twijfelen aan de orthodoxe ideeën. Terwijl de sterrenkunde in het westen van Europa pas op de plaats maakte, versnelde deze juist in het islamitische rijk. Dat omspande een enorm gebied met een groot aantal mensen in het Midden-Oosten, noordelijk Afrika en een deel van Spanje en zuidoostelijk Europa. Veel werken van de Griekse sterrenkundigen werden in het Arabisch vertaald en door islamitische geleerden verder ontwikkeld, waardoor de waarnemingen uit de oudheid niet verloren gingen. Kennis van de sterrenkunde was belangrijk bij islamitische rituelen. Het firmament gold als leidraad voor het vijf maal bidden per dag, en voor het vaststellen van de juiste datum van religieuze feesten en waar Mekka zich bevond. Islamitische geleerden hebben veel aan de sterrenkunde bijgedragen. Al Battani zag dat het punt waarop de aarde zich het verst van de zon verwijderd bevindt, varieert. hij ontdekte dus dat de baan van de aarde om de zon geen perfecte cirkel is (of eigenlijk dat de baan van de zon om de aarde geen perfecte cirkel was, want zo werd er door de islamitische geleerden destijds naar gekeken). Al Sufi deed in de tiende eeuw als eerste de waarneming van een fenomeen dat later de Grote Wolk van Magelhaen werd genoemd. Tegenwoordig is bekend dat dit een naburig sterrenstelsel is, dat vijf eeuwen later door de Europeanen werd ontdekt tijdens de grote reis van Ferdinand Magelhaen; het is alleen vanaf het zuidelijke halfrond te zien.

Ferdinand Magelhaen, naar wie de Magelhaense wolk is vernoemd.

Wilt u ons contacteren dan kan dat